laatste nummers

Katholiek magazine voor nederland en vlaanderen



Walter kardinaal Kasper (1933) laat weer van zich spreken. Dit maal naar aanleiding van de vele seksschandalen die zich binnen de kerkstructuren recentelijk hebben afgespeeld. Er moet ingegrepen worden, aldus de kardinaal. Een terechte opmerking, maar wel degelijk vijgen na Pasen. De kardinaal spreekt, veel te laat, en bovenal, op één of andere wijze medeplichtig. Want deze verderfelijke toestand is niet van vandaag op morgen ontstaan. Als vooraanstaand kerkleider was hij zelf medeverantwoordelijk voor de opleiding van geestelijken en gelovigen. En de toestanden die zich nu laten opmerken zijn sedert jaar en dag bekend op het allerhoogste niveau. Men heeft doelbewust zijn ogen gesloten en de zaak laten verzieken. Kasper is niet de oplossing, hij is onderdeel van het probleem.

Dr. Walter Kasper is voormalig bisschop van Rottenburg-Stuttgart in Duitsland. In 1999 werd hij door Johannes Paulus II naar de Romeinse Curie gehaald, Sedertdien is hij de leidende kracht in het Pontificium Consilium ad Unitatem Christianorum Fovendam, ofte de Pauselijke Raad ter Bevordering van de Eenheid van de Christenen. Eerst als secretaris en nadien als voorzitter. In 2001 ontving de rode kardinaalshoed als titularis van het kardinaalsdiaconaat Ognissanti in Via Appia Nuova. Kasper is de actuele vaandeldrager van de katholieke oecumenebeleving zoals die sedert het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) is gegroeid. Hij is dan ook een uiterst omstreden prins van de kerk.

Kasper staat bekend om zijn heterodoxe stellingen m.b.t. de Rooms-katholieke geloofsleer. Zo was hij een uitgesproken criticus van de verklaring van de Congregatie voor de geloofsleer van 6 augustus 2000, met als titel Dominus Iesus en als ondertitel Over de uniciteit en heilbrengende universaliteit van Jezus Christus en de kerk. Deze verklaring, opgesteld door toenmalig prefect Joseph kardinaal Ratzinger en officieel afgekondigd door Johannes Paulus II, was bedoeld om de verwarring omtrent de dogmatische constitutie van het Tweede Vaticaans Concilie van 21 november 1964, met als titel Lumen Gentium, uit de wereld te helpen. Met name artikel 16 m.b.t. de redding en het heil van zielen die niet tot katholieke kerk behoren wordt van een authentieke interpretatie voorzien.

In deze concilietekst, die in tegenstelling tot zijn benaming op geen enkele wijze een dogmatisch karakter heeft, werd bewust afgeweken van de klaar en duidelijke orthodoxe formulering van dit geloofspunt in het verleden. Dit dogmatisch geloofspunt behoort tot de kern van het geloof en wordt samengevat in de boutade Extra Ecclesiam Nulla Salus, wat voor Buiten de kerk is er geen heil staat. Ze is afkomstig van de H. Cyprianus van Carthago, een kerkvader uit de derde eeuw na Christus, die ze voor het eerst formuleerde in zijn brief LXXII Ad Jubajanum de haereticis baptizandis.

Kort door de theologische bocht betekent dat de redding van de eeuwige ziel, na het aardse afsterven van het menselijke lichaam, door opname in de Hemel ten nadele van de Hel, slechts mogelijk is voor mensen die behoren tot de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk en deze haar ganse geloofsschat aanvaarden. Redding voor zielen die zich, bewust of uitdrukkelijk, buiten deze geloofsgemeenschap plaatsen of bevinden is niet mogelijk. Slechts in een beperkt aantal omstandigheden kan een ziel toch gered worden als ze formeel buiten deze gemeenschap staat. In dat geval wordt een ziel niet gered dankzij deze formele positie buiten de gemeenschap, maar ondanks dit feit.

Het komt God, en Hem alleen, toe de mens te oordelen. De mens kan dus niet in concrete gevallen zich in de plaats stellen om een dergelijk oordeel vast te stellen. Wat de opvolgers van de apostelen echter wel kunnen is het in herinnering brengen van de traditionele opvattingen die zij hieromtrent sedert het begin hebben ontvangen en altijd en overal hebben verkondigd. De bewust heterodox geschreven tekst van artikel 16 van Lumen Gentium breekt met deze traditie door op onverantwoorde wijze de indruk te geven dat de kans op redding van buiten de kerk een courant voorkomende mogelijkheid is en geeft de valse perceptie dat bekering van mensen die buiten de gemeenschap staan tot het ene ware geloof geen noodzakelijke prioriteit meer is. Met andere woorden dat men kan gered worden met alternatieve geloofsopvattingen. Na afloop van het concilie werd dan ook deze theologische nieuwlichterij op onaanvaardbare wijze en in tegenspraak met elke traditie geherinterpreteerd. Praktisch gezien was de post-Vaticanum II oecumene niet gericht op het (terug)brengen van buitenstaanders in de schoot van onze moeder, de kerk, maar op het aanhouden van een theologische luxediscussie omtrent verschillen zonder deze verschillen ooit definitief uit de wereld te willen of te kunnen helpen.

Oecumene is dus geen vinden van een gemeenschappelijke centrum in een veelheid aan religieuze opvattingen in een soort van theologische kleinste gemeen veelvoud of een soort van christelijk equivalent van het maçonnieke center of union. Het is een vereniging van alle zielen omtrent een vaststaande en volledige openbaring die de volledige openbaring betreft en die noodzakelijk is tot redding van de zielen, in één kerk en één geloofsgemeenschap. Hierbij is het de uitdrukkelijke bedoeling dat buitenstaanders geloofspunten die hiermee in tegenspraak zijn afwerpen, en integraal komen tot aanvaarding en belijdenis van het katholieke geloof. De methode of wijze waarop dit moet worden gerealiseerd laat een veelheid aan mogelijkheden toe, zolang het doel maar duidelijk in het vizier voorop staat.

Want op geloofsgebied is er geen, en was er nooit verdeeldheid, als men dit begrip kwalitatief gaat duiden. De verdeeldheid bestaat enkel in het niet aanvaarden, binnen de dimensies van tijd en ruimte, door een grote groep van individuele zielen, van het ene ware geloof. Hier wordt verdeeldheid louter kwantitatief geduid. Het is het uitvloeisel van de vrije wil van de mens.

De verklaring Dominus Iesus ter verduidelijking van de constitutie Lumen Gentium was een – onvoldoende – poging van het Vaticaan om de grootste dwalingen die hieromtrent waren gegroeid, in te perken. De kritiek van Kasper is dan ook begrijpelijk, in het licht van de reacties vanwege allerlei groeperingen waarmee zijn Pauselijke Raad in gesprek was. Door de op hol geslagen interpretatie van de heilsleer van de kerk in te perken en deze groepen te confronteren met het feit dat de katholieke kerk, als enige, de volheid van het geloof bezit en verkondigd, noodzakelijk tot redding, wordt een zware hypotheek gelegd op elke discussie onder gelijken of zoekenden naar Christus’ waarheid. Iemand in het gezicht zeggen dat je slecht bezig bent, en dat doorgaan op de ingeslagen weg naar alle waarschijnlijkheid leidt tot eeuwige verdoemenis in de Hel is niet bevorderend voor dergelijke gesprekken. Kasper stelde dus dat de verklaring samen gelezen moest worden met de eerdere constitutie, en niet apart, en dat slechts de samenlezing de volheid van het standpunt inhoudt.

Wat Kasper echter diplomatisch over het hoofd ziet is dat deze – terechte – zienswijze evenzeer van toepassing is op de heterodoxe formuleringen van Lumen Gentium zelf, met 19 eeuwen van geloofsleer. Men kan niet blijven lippendienst bewijzen aan de vormelijke eenheid van de kerk, als de leden van de kerkgemeenschap onverzoenlijke tegengestelde inhoudelijke standpunten innemen. Want daar gaat het nu net om.

Toen Benedictus XVI in 2007 bij de vier hulpbisschoppen van de Priesterbroederschap van de H. Pius X (FSSPX) formeel de excommunicatie uit 1988 ophief – opgelopen n.a.v. de sacramenteel geldige maar kerkrechtelijk ongeoorloofde bisschopswijdingen door Mgr. Marcel Lefebvre – sprak Kasper profetische woorden. Hij waarschuwde dat deze actie, waar hij geen invloed had gehad, tot grote spanningen zou leiden met zijn oecumenische gesprekspartners. En daarenboven voorzag hij het ontstaan van een nieuw schisma. De waterdragers van de geest van het Tweede Vaticaans Concilie hadden het namelijk bijzonder moeilijk met de personen én geloofsopvattingen, zoals die verkondigd worden door de traditioneel-katholieke bisschoppen. En hier slaat hij de nagel op de kop.

Sedert een dikke vijftig jaar is er een onzichtbaar schisma aanwezig in de kerkelijke instellingen. Een grote groep kardinalen, bisschoppen, priesters, religieuzen en leken geloven fundamenteel in een van de historische geloofsschat afwijkende leer. Niet alleen in details, maar in hoofdlijnen hebben zij een nieuwe inhoud gegeven aan geloofsstellingen die eeuwenoud zijn. Vormelijk belijden ze dezelfde woorden, maar inhoudelijk staan die woorden voor een compleet verschillende, en tegenovergestelde, inhoud.

De afgelopen vijf decennia heeft de officiële kerkleiding er alles aan gedaan om de perceptie van éénheid, in geloof, te doen voortbestaan. Met als gevolg dat intern de ontsteking van de ketterij zodanig zich heeft verspreid, dat het ganse lichaam dodelijk ziek is. Slechts radicale, en uitzonderlijke maatregelen kunnen ervoor zorgen dat het lichaam opnieuw gezond wordt. Dat hierbij meerdere lichaamsdelen zullen verloren gaan is onvermijdelijk. Maar deze lichaamsdelen zullen niet levensnoodzakelijk blijken voor het ganse lichaam levend en gezond te maken. Moeilijk, onaangenaam en ongewenst, gaat ook, als het moet.




































































































Techniek: Micro Formatica | Ontwerp: Tom Zwitser